Skellig Michael – het witte martelaarschap
Eind negentiende eeuw reisde Alexander Carmichael in zijn werkzaamheid als ambtenaar over alle eilanden aan de westkust van Schotland. Zijn grote liefde gold de taal, gebruiken en gedichten van de mensen van de eilanden. Hij tekende gebeden en gedichten op van eenvoudige mensen en vertaalde ze in het Engels vanuit zijn bijzondere kennis van het Gaelic. Voor de eenvoudige mensen van de eilanden was het hun intieme, kostbare rijkdom die ze hem toevertrouwden.
Op een avond stond een oude venerable islesman Alexander Carmichael toe een uitzonderlijk mooie rune (spreuk) op te schrijven over de-slaap-in-gaan. De volgende ochtend reisde de oude man zesentwintig mijl om Carmichael de belofte te doen maken om de spreuk nooit in drukvorm te laten verschijnen. ‘Denkt u’, zei de oude man, ‘dat ik vannacht één oog dicht heb gedaan, door de gedachte aan wat ik weggegeven heb? Trots ben ik als het uzelf tot vreugde strekt, maar ik zou niet willen dat koude ogen het lezen in een boek.’
Alexander Carmichael, Carmina Gadelica, 1922






























